In de coulissen staat de gitaarroadie klaar met een gestemde gitaar. Hij is helemaal gericht in de gitarist. En die is helemaal gericht op zijn spel. Daarom is het zo’n goeie gitarist. Hij gaat er volledig in op, kijkt niet om zich heen. De andere muzikanten voelt ie aan, het publiek staat voor zijn neus, en de roadie schuin achter hem. Het nummer is afgelopen. ‘Hij wil ‘em hebben.’
De roadie stapt naar voren om de gestemde gitaar aan te geven. Maar de gitarist begint de gitaar waarop hij speelt zelf te stemmen, en speelt verder. De roadie stapt terug, naar achteren, gitaar in de hand. Hij is weer een en al aandacht voor de gitarist. Het nummer is afgelopen, applaus, gejuich. Opwinding, op het plein en op het podium. ‘Nu wil ie ‘em wel hebben…’
De roadie stapt weer naar voren, gitaar vooruit. De gitarist ziet ‘em niet. Hij stemt, rookt, dolt, en speelt weer verder. De roadie kijkt naar de gitarist. Die speelt voluit, en geniet. ‘Ik heb hier een gitaar voor je.’ Maar de gitarist kijkt niet opzij. Hij heeft oog voor het publiek en voor de andere muzikanten. De roadie staat, luistert, kijkt. Hij ziet het blikje bier van de gitarist, komt naar voren en tilt het op. ‘Nog vol…’
De roadie stapt terug, gitaar in de hand. Geconcentreerd, nog steeds. Het volgende nummer is afgelopen. ‘Nu dan?’ En ineens draait de gitarist zich om. Hij ziet de roadie. Ze kijken elkaar aan. De gitarist doet z’n gitaar af, de roadie hangt ‘em de nieuwe om. Nog een blik en de gitarist slaat de volgende accoorden alweer aan. Verder spelen. De roadie gaat de gitaar stemmen. Een en al toewijding. Net als de gitarist.
‘Ha, straks lekker douchen,’ zegt mijn vrouw, ‘en dat zoete water proeven.’ Huh? denk ik. Smaakt water zoet dan? Oké, we zitten op het strand, maar zij vindt de zee nog te koud om erin te gaan. Het zoute water heeft ze dus niet geproefd. Ik ga het straks thuis zelf eens checken.
Het klopt. Als ik de tijd neem om met aandacht het water uit de douche te proeven blijkt het inderdaad zoet. Nooit gemerkt. Eigenlijk nooit op gelet. Nog nooit echt tot me door laten dringen. Geen tijd, te druk in mijn hoofd. Bezig met van alles. Toen, daar, straks.
Ik ga eens opletten wat ik nou eigenlijk proef. Smaken ontdekken. De smaak van water, bijvoorbeeld.
Frank woont in een volksbuurt in Utrecht. Vlakbij een coffeeshop. Frank en zijn vrouw hebben net hun eerste kind gekregen, een meisje. Op een avond komt een auto aanrijden en parkeert voor hun huis. Een donker autootje vol donkere jongemannen, met hun donkere muziek. De motor gaat uit, de muziek blijft aan. Een geluidsbox op wielen. Een paar jongens gaan de coffeeshop in en kopen wat ze nodig hebben, gaan weer in de auto zitten en roken daar hun joint.
Frank gaat naar buiten. Hij tikt op het raampje van de auto. Het raampje gaat naar beneden. ‘Jongens, misschien hebben jullie het niet in de gaten maar jullie muziek staat heel hard. Ons dochtertje van acht weken ligt hierboven te slapen, zou je de muziek wat zachter willen zetten?’ Dan hoort hij: ‘O ssorry mneer, dazniet de bdoeling!’ Ze starten de auto en rijden weg. Frank wist niet dat het zo makkelijk was. Marokkaans straattuig aanspreken.
Frank begrijpt – zonder het precies te weten – hoe geweldloze communicatie werkt. Om te beginnen: schort je oordeel op en val niet aan – hou de optie open dat iemand zich niet bewust is van de last die hij veroorzaakt. Verder: vertel de feiten, zonder opsmuk, en zonder verwijt. En dan: laat merken wat het met je doet, hoe het je raakt, waar je je zorgen over maakt. Tenslotte: laat weten wat je graag wilt. Grote kans dat iemand redelijk blijft, als je zelf redelijk begint.
T ken ik uit mijn studententijd. Nog steeds een goeie vriend. Toen we zo oud waren als onze kinderen nu, trokken we ’s zomers door Spanje en Portugal. Met een heel stel, liftend of in een oude eend. T is een gevoelige jongen, dat zie je, dat voel je. Maar hij heeft vaak geen zin om dat te laten zien. Zeker niet op zijn werk. Hij is succesvol in zijn werk en heeft van alles gedaan. Manager, interim-manager, in dienst en zelfstandig, mede-eigenaar van een adviesbureau. Als hij iets wil dan krijgt hij het voor elkaar, linksom of rechtsom. Zo één wil je erbij hebben, zeker als het ergens is vastgelopen of een zwieper nodig is.
En nu, waar gebeurd, kort geleden. Voor het eerst sinds jaren is T weer ergens in dienst. Bij een stichting die de komende jaren enorm gaat groeien, dat staat nu al vast. De vraag naar de zorg die deze mensen bieden is groot. Het is een gevoelige omgeving, de cliënten zijn kwetsbaar. De professionals die er werken zijn sensitief. T maakte een snelle start. Binnen een half jaar had hij de plannen voor de komende jaren klaar, besproken en geaccepteerd gekregen. Het was iedereen duidelijk welke kant de organisatie op zou gaan. Groter, en nog beter. T oogstte er alom respect voor. Hij rekende op een eindejaarsgesprek vol waardering voor de door hem geboekte resultaten.
Dat eindejaarsgesprek liep iets anders dan had T gedacht. Niet omdat de plannen niet deugden. Juist wel. Niet omdat er geen draagvlak voor was. Juist wel. Het ging om T zelf. Verbaasd en verbijsterd hoorde hij aan wat de voorzitter van de stichting hem te vertellen had. Vlak voor Kerst.
Wat hij deed was goed, maar hoe hij het deed niet. Alleen resultaat is niet genoeg.
T begreep er niets van. Hoezo niet goed? Ik heb de boel op de rit gekregen! Iedereen doet mee! Ik doe wat er van me gevraagd wordt! Het loopt en het werkt! Dat klopt, maar dat is niet genoeg, was het antwoord. We missen iets.
Het werd een vervelende Kerst voor T. Hij snapte er niets van. Ik word toch betaald om dit voor elkaar te krijgen? We willen toch groeien? Dan moet er wel wat gebeuren! Daar heb ik keihard aan gewerkt. En het werkt, kijk maar! Ontregeling en verzet. Dat laatste is T ook erg goed in. Hoe hij het deed blijft een raadsel – misschien beter: een wonder – maar hij ging dwars door zijn eigen weerstand heen. Was het de sneeuw die viel en hem rustig maakte? Was het de ingetogenheid van de kerstdagen? We zullen het niet weten. Wel dat hij het opgaf en rock bottom raakte.
Daar op de bodem gebeurde het. Hij vond terug wat hij al jaren kwijt was. Iets dat hij nooit met werk geassocieerd had. Iets dat je voor thuis bewaart, wat je partner en je kinderen van je kennen. Wat je pas laat zien als je je helemaal veilig voelt, en alleen aan mensen die je volledig vertrouwt. Wat een handjevol mensen van je weten. Wat je doodeng vindt om te tonen. Waar je ongelofelijk in gekwetst kunt worden. Wat pijn kan doen. Waar je je voor kunt schamen. Wat ongemakkelijk is als anderen het zien. Wat je geleerd hebt niet te laten zien. Gevoel. Jezelf.
Toen dat tot T doordrong – beter: binnenkwam – ging het hart hard. Direct na de kerstvakantie hield hij zijn nieuwjaarsspeech. We doen dit samen. Ik wil jullie bedanken voor alle steun in het afgelopen half jaar. Ik kan dit niet alleen, ik heb jullie nodig. En ik wil er voor jullie zijn. Mensen kwamen naar hem toe, bedankten hem. Zo hadden ze het van hem nog niet gehoord. En ook niet verwacht. Sindsdien weet T niet wat hij meemaakt. Er is een goede sfeer, er wordt lekker samengewerkt, er is plezier in het werk. Zo’n ontboezeming werkt aanstekelijk.
T had, vlak voor hij mid-vijftig werd, het grote geluk iemand te treffen die eerlijk was. Die iets onmeetbaars benoemde. Die daar ook geen doekjes om wond. Iemand die durfde te zeggen wat in geen enkel competentieprofiel voor een manager of directeur staat. Jezelf niet thuislaten. Je gevoel tonen. Jezelf laten zien.
T is een held. Dat hij het aanging. Die neemt dit de rest van zijn leven mee. Die is in één Kerstvakantie vele malen effectiever geworden.
De andere held is degene die hem de spiegel voorhield. Daar is evengoed lef voor nodig. Niet alleen de resultaten beoordelen, maar ook naar de manier waarop ze behaald worden. En daardoor zorgen dat een succesvolle manager zich verder kan ontwikkelen. Zo’n begeleiding gun je iedereen.
Otto Scharmer was in het land. In Amsterdam, te gast bij de Iona Stichting. Samen met Arthur Zajonc, natuurkundige en nog veel meer. Scharmer is Duitser van geboorte, zat op de Vrije School in Hamburg, en is nu wetenschapper bij het MIT in Boston. Hij is een kameraad van Peter Senge en Joe Jaworski. Zij zijn de lui van Presence, het werkelijk aanwezig zijn in het hier en nu en aansluiten op iets groters dat tevoorschijn wil komen: de Bron (Source). De een nog slimmer en wijzer dan de ander. Moderne zieners.
Scharmer brengt zijn Theory U aan de man. Nu ook in het Nederlands vertaald, vandaar het feestje in de Rode Hoed. Zijn verhaal is dat je de toekomst die zich aandient kunt waarnemen – en ook binnen kunt stappen – als je in staat bent met een Open Geest, een Open Hart en een Open Wil in het leven te staan. Wat je daarbij belemmert zijn je eigen oordelen, cynisme en angst (Voices of Judgment, Cynicism, Fear). Loslaten is dan waar het om draait. Zo dat zijn heel wat Grote Woorden bij elkaar. Makkelijk gezegd, nu nog doen.
Bij het weggaan liep ik tegen Herr Doctor Scharmer zelf aan. Ik vroeg hem: ‘Wat is het belangrijkste dat we hebben los te laten?’ Met dat grappige Duitse accent antwoordde hij, na enig denken (terwijl hij zijn ene arm in een mouw van zijn jas stak, daarna de andere) ‘Ego… and old habits - vat do you zink?’ (okee, ik overdrijf dat accent).
Ik antwoordde dat ik het van harte met hem eens was: oude structuren – gestold, verstard, verhard – in mezelf, in onszelf, in de maatschappij, zeg maar de samengevatte geschiedenis – persoonlijk en maatschappelijk – belemmert mij, ons om de volgende stap te maken – naar openheid, eerlijkheid, duurzaamheid, naar leven in vrijheid en liefde, mij wel in elk geval (dat zei ik niet allemaal hoor, dat bedenk ik nu).
Onze geschiedenis, inclusief onze persoonlijkheid (dat samenstel van onze verdedigingsmechanismen en overlevingsstrategieën) belemmert ons om de toekomst in te stappen. Want een volgende stap betekent altijd: loslaten. En je weet wat je hebt en je weet niet wat je krijgt. Daarom helpt een crisis: je moet wel, het maakt niet meer uit. Wat je dacht te hebben wordt je uit handen geslagen, oude gewoonten werken niet meer. Kun je dus maar beter me stoppen. Kap nâh!
En ja, dat ego houdt het bij elkaar. Taaie rakker hoor, dat ego… Tenminste, bij mij wel. Uiteindelijk is het natuurlijk angst: angst voor het onbekende. Ook de angst om teleurgesteld te raken, angst om afgewezen te worden, angst om uitgelachen te worden. Moed is nodig. De moed om in vrijheid te leven. En de moed om lief te hebben. Om te beginnen jezelf, dan de ander.
‘Moedig sla ik dus de ogen naar het onbekende land,’ zong mijn oma vroeger.
Ik merk dat ik er voor een groot deel zelf verantwoordelijk voor ben of er vreugde in me opkomt of boosheid, onrust, ontevredenheid, teleurstelling over mezelf en de hele wereld. Maar ook als ik in het hier en nu ben, komt de vrede niet automatisch.
Het kan ook zijn dat ik door een grote triestheid word overvallen. Als ik die dan ook toelaat, is dat geen tegenstelling tot de vreugde maar alleen de keerzijde van de medaille. Ze hoort net zo bij het leven als de vreugde. Als ik de zaak dan grondig onderzoek, als ik naga waarheen de triestheid mij wil brengen, dan ontdek ik helemaal onderin het vermoeden van gedragen worden en geborgenheid. Dan voel ik de zwaarte van de triestheid en daaronder tegelijkertijd een stille vreugde. Ik ben met mezelf tevreden, ook met mijn onvervulde verlangens, ook met mijn eenzaamheid, ook met mijn onbegrepen zijn.